In een periode van mijn leven (ik was ongeveer 40 jaar oud) ging ik onder de nodige werkstress gebukt en ontwikkelde ik allerlei fysieke klachten. Binnen een periode van een half jaar kreeg ik eerst een slijmbeursontsteking aan mijn linkerschouder en later aan mijn rechterschouder. Het was duidelijk dat ik de signalen van links niet begrepen had. En dan nog; stel je voor dat je met de auto naar je werk moet rijden en met de rechterarm niet kan schakelen vanwege die slijmbeursontsteking; ........ dan doe je dat toch gewoon met je linkerhand. Enfin, ik heb geen brokken gemaakt, maar het is wel duidelijk dat het negeren van lichamelijke signalen nergens goed voor is. Uiteindelijk was ik binnen afzienbare tijd weg van die werkplek en sloeg ik een volledig andere professionele weg in.

Deze herinnering werd onlangs getriggerd door een gedicht van Menno Wigwam (uit de gedichtenbundel: Slordig met geluk) dat in op 23 januari in de bijlage Letter & Geest van Trouw stond afgedrukt. Het beschrijft de harde constatering van iemand die reflecteert op zijn onverwachte ziekenhuisopname.

 

Afscheid van mijn lichaam

Waarom, mijn lichaam, was je mij zo weinig waard?

Waarom bleef ik zo koppig tronen in mijn hoofd

en woonde ik mezelf zo hevig uit?

 

O ja, ik hield van wijn, van zwaar doorrookte feesten,

lucide katers en oneindig gulle lakens.

Zo leefde ik verlicht mijn tijd aan stukken.

 

Nu lig ik op een zaal, mijn hart, die logge spier,

verlaat me, laf als een gedicht laat het me staan

en voor het eind van deze avond zakt de dood

                    mijn longen in.

 

De zon was mij nooit opgevallen als hij niet

steeds onderging. Geen lucht, geen flonkering, geen hoop.

Waarom, mijn lichaam, heb ik je nooit geloofd?